Scriptiereglement

A. Algemene voorwaarden voor de scriptie bij het groot kerkelijk examen

  1. Een scriptie is het product van een zelfstandig uitgevoerd (afstudeer)onderzoek, dat de hele onderzoekscyclus omvat. Een scriptie moet de inhoudelijke uitkomsten van het onderzoek helder presenteren en voldoen aan de criteria die aan een wetenschappelijke rapportage in het algemeen en binnen het desbetreffende vakgebied in het bijzonder worden vastgesteld.
    1. De onderzoekscyclus bestaat uit de opzet, planning, (empirisch) onderzoek, analyse van de gegevens en de verslaglegging van het onderzoek.
    2. Van een wetenschappelijke rapportage wordt verwacht dat de volgende elementen in de rapportage zijn verwerkt: probleemstelling, theoretisch fundament, logische opbouw, verantwoorde analyses, adequate analysevormen, helderheid van tekst en gehanteerde begrippen, keuzen zijn beargumenteerd, beperkingen die eruit voortvloeien zijn beargumenteerd.
    3. De scriptie is het eindproduct van de kerkelijke opleiding en wordt geschreven ter afronding ervan.  
  2. Het afstudeeronderzoek wordt verricht door de student en begeleid door een docent uit het vakgebied waarin de student het onderzoek uitvoert.  
  3. Het scriptieonderzoek wordt individueel uitgevoerd.  
    1. Indien het afstudeeronderzoek door meer dan één student dient te worden uitgevoerd, moet dat schriftelijk van tevoren aangevraagd worden bij de rector, met daarbij een schriftelijke goedkeuring van de scriptiebegeleider. 

B. Randvoorwaarden voor de scriptie 

  1. De student moet als student ingeschreven zijn bij de kerkelijke opleiding van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland.  
  2. De omvang in studiepunten is 15 ects. Dat betekent een studiebelasting van circa 420 uur, oftewel circa 10 werkweken van 40 uur.

  1. De studiepunten voor de scriptie worden toegekend na het eindgesprek met de scriptiebegeleider en tweede meelezer. Dit is tevens de afronding van het afstudeeronderzoek.

  1. Ten aanzien van de lengte van de scriptie wordt uitgegaan van circa 20.000 woorden. Dit is exclusief eventuele bijlagen, d.w.z. gedeelten die normaal gesproken niet tot het bestand van de scriptie behoren.  
  2. De scriptie wordt geschreven in het Nederlands, tenzij met toestemming van … gekozen wordt voor een andere taal; in dat geval wordt aan het taalgebruik de eis gesteld dat de tekst in principe publicabel moet zijn.

C. De uitvoering en de begeleiding van de scriptie 

  1. De student neemt zelf het initiatief tot het afstudeeronderzoek. Op grond van een voorstel van de student kiest de rector het onderwerp, het vakgebied, de begeleidende docent en eventueel een externe adviseur (een deskundige op een specifiek vakgebied). De Seminariedocent die het afstudeeronderzoek begeleidt wordt de scriptiebegeleider genoemd.  
  2. Indien het onderwerp de inhoudelijke begeleiding vereist van twee deskundigen wordt in overleg naar een tweede begeleider gezocht. Beiden begeleiden het hele proces van het afstudeeronderzoek en hebben beide inhoudelijke inbreng. Indien er sprake is van twee begeleiders dient vooraf duidelijk te worden afgesproken welke rol en inzet deze twee begeleiders zullen hebben, waarbij één de hoofdverantwoordelijke is. Dit wordt schriftelijk vastgelegd. Het totaal aantal begeleidingsuren blijft gehandhaafd.
  3. Met de scriptiebegeleider bespreekt de student in een oriënterende fase het onderwerp van de scriptie, de mogelijke vraagstelling en relevante literatuur. Deze oriënterende fase kan reeds eerder in de studie plaatsvinden dan in de periode van het afstudeeronderzoek zelf.
  4. Bij aanvang van het afstudeeronderzoek, bij de opzet van de scriptie, bespreken student en scriptiebegeleider de wijze van begeleiding, de verwachtingen ten aanzien van de scriptie, en de wijze van communicatie (ontmoetingen, schriftelijk of telefonisch of electronisch contact). Dit moet voorkomen dat hetzij de student op zichzelf teruggeworpen wordt, hetzij de docent te weinig betrokken wordt bij het afstudeeronderzoek.
  5. In de oriënterende fase kiest de rector, na overleg met de student en de scriptiebegeleider wie als meelezer betrokken zal worden bij de opzet en beoordeling van het afstudeeronderzoek. 
    1. De meelezer is seminariedocent met een deskundigheid relevant voor het terrein van de scriptie. Bij uitzondering kan dit een specialist zijn binnen een andere faculteit of instelling. In dat geval moet dit van tevoren ter goedkeuring worden voorgelegd aan hert docentencollege.
  6. De scriptiebegeleider besteedt circa 40 uur aan het begeleiden van de scriptie. De meelezer besteedt circa 15 uur aan het begeleiden van de scriptie.
  7. In overleg met de scriptiebegeleider maakt de student een opzet voor de scriptie. Deze opzet bevat de volgende onderdelen: 
  • omschrijving van het onderwerp en de probleemstelling van de scriptie 
  • globale aanduiding van het te verwachte resultaat van de scriptie 
  • voorlopige indeling in deelvragen die de richting van het afstudeeronderzoek geven. Dit kan eventueel ook in een voorlopige hoofdstukindeling gepresenteerd worden. 
  • fasering van de werkzaamheden, inclusief een tijdsplanning 
  • de te raadplegen literatuur 
  • de onderzoeksmethode 
  • de maatschappelijke en theoretische relevantie
    1. De student spreekt een tijdsplanning af met de scriptiebegeleider. De scriptiebegeleider bewaakt deze tijdsplanning en zal zo nodig het scriptieproces bijsturen zodat de student niet onnodig in tijd zal uitlopen.
    2. Pas nadat de opzet is goedgekeurd, kan de student het eigenlijke afstudeeronderzoek beginnen. Goedkeuring dient gegeven te worden door zowel de scriptiebegeleider als door de meelezer.
      1. Wanneer de meelezer het niet eens is met de opzet van het afstudeeronderzoek, dient dit in overleg met de scriptiebegeleider en de betrokken student te worden besproken. Wanneer dit niet leidt tot overeenstemming, wordt de situatie voorgelegd aan het docentencollege ter beoordeling.
      2. Tussentijdse fundamentele wijzigingen in de opzet dienen ter beoordeling aan de meelezer te worden voorgelegd.
  1. Na de goedkeuring van de opzet vindt  het eigenlijke onderzoek plaats. De student voert dit uit in overleg met de scriptiebegeleider.
  2. De student heeft regelmatig overleg met de scriptiebegeleider over de voortgang van het onderzoek. 
    1. De student laat regelmatig conceptteksten (bij voorkeur per hoofdstuk) lezen aan de scriptiebegeleider. Deze worden van commentaar en suggesties voorzien en besproken samen met de student.
  3. De scriptiebegeleider geeft duidelijk aan wanneer een concepttekst voldoende uitgewerkt is om een definitieve versie te maken.
     
  4. Nadat alle conceptteksten op deze wijze zijn goedgekeurd door de scriptiebegeleider, legt de student de gehele conceptversie voor aan de meelezer. In een driegesprek wordt dit commentaar besproken, waarna de student een definitieve versie van de scriptie maakt, die nogmaals in zijn geheel aan de scriptiebegeleider en meelezer wordt voorgelegd ter beoordeling.
    1. De beoordelingscriteria zijn voor de beoordeling duidelijk voor de student. Deze criteria zijn in dit scriptiereglement vermeld onder het kopje Beoordelingscriteria. 
    2. De criteria die het eindcijfer hebben bepaald, worden bij het bekend maken van de beoordeling aan de student verteld. 
  5. Indien buiten de schuld van de student de begeleiders/meelezer de termijn waarbinnen de scriptie afgerond kan worden onnodig verlengen, waardoor de student niet kan afstuderen, kan de student bezwaar maken bij het docentencollege. Het docentencollege neemt vervolgens contact op met de begeleiders om het bezwaar van de student te bespreken.
  6. Indien de begeleider en beoordelaar niet tot overeenstemming over de inhoud en daarmee de beoordeling van de scriptie kunnen komen, leggen zij dit voor aan het docentencollege. De beslissing van het docentencollege is bindend voor alle partijen.
  7. Indien de student het niet eens is met de beoordeling van de scriptie, of meent dat de procedure niet op juiste wijze is gevolgd, waardoor de student benadeeld is, kan de student, binnen 28 dagen, bezwaar aantekenen bij het College van Beroep voor Examens van de Universiteit Utrecht.
  8. Wanneer deze beide de definitieve versie van de scriptie goedkeuren, kan met de rector een afstudeerdatum worden afgesproken evenals de andere examenonderdelen. De student stuurt een papieren exemplaar van de scriptie naar de docenten die betrokken zijn bij het kerkelijk examen en biedt een extra exemplaar aan voor het scriptiearchief. De andere docenten ontvangen een digitale versie.

D. Beoordelingscriteria 

  1. De scriptie wordt beoordeeld op een aantal criteria. De belangrijkste daarvan is of de scriptie voldoende diepgang heeft en van wetenschappelijk niveau is. De behandelde problematiek moet voldoende complex zijn, moet aansluiten bij discussies binnen het vakgebied en daardoor theoretische en of maatschappelijke relevantie hebben. Een aantal elementen zijn te onderscheiden ten aanzien van de beoordeling: 

  1. De vraagstelling: 
  • dient voldoende ingeperkt te zijn om in principe beantwoord te kunnen worden 
  • moet binnen het kader van het afstudeeronderzoek beantwoord kunnen worden 
  • dient wetenschappelijk relevant te zijn: d.w.z. draagt bij aan inhoudelijke reflectie over het betreffende vakgebied 

  1. De verslaglegging moet een duidelijke structuur hebben: een inleiding waarin de aanleiding tot het onderzoek, de probleemstelling, werkwijze en een overzichtelijke presentatie van de gegevens  worden besproken, een middenstuk, waarin duidelijk toegewerkt wordt naar de beantwoording van de probleemstelling en een conclusie. Het verslag heeft de vorm van een betoog. 
  • het betoog dient te reageren op wetenschappelijke debatten in het betreffende vakgebied. 
  • het betoog dient ingekaderd te zijn in het theoretisch raamwerk dat het uitgangspunt en resultaat is van eerder genoemde debatten 
  • het betoog moet getuigen van analytische zorgvuldigheid: begrippen moeten eenduidig worden gebruikt, verhullend taalgebruik moet worden vermeden, vooronderstellingen moeten expliciet worden gemaakt, argumenten moeten steekhoudend zijn, normatieve en descriptieve beweringen moeten van elkaar gescheiden worden. De methodische uitgangspunten moeten helder worden verwoord. Er moet een juist gebruik worden gemaakt van de bronnen. Daar waar er sprake is van exegese dient dit in detail te worden uitgewerkt 
  • het betoog is niet alleen consistent (tegenstrijdigheden komen niet voor), maar ook coherent ( er is duidelijke samenhang en een heldere structuur).
  1. De conclusies worden niet ineens aan het eind van de scriptie gepresenteerd, maar vloeien duidelijk voort uit het in de scriptie opgebouwde betoog.
  2. De opbouw en structuur van de scriptie is helder en overzichtelijk. Er is een inhoudsopgave, een hoofdstukindeling, hoofdstukken zijn in paragrafen onderscheiden. De titels van de hoofdstukken dekken de lading van de inhoud.  
  • De compositie van de tekst is herkenbaar en evenwichtig.  
  • De tekst is in goed Nederlands opgesteld 
  • De wijze van citeren van literatuur en literatuurverwijzingen is consistent
  1. De samenstelling van de literatuur is wetenschappelijk verantwoord en moet voldoende recent zijn. De wijze van verwerking van de literatuur in de scriptie dient adequaat te zijn.

Oktober 2014

E. Bijlage — Beoordelingsformulier   

Dit formulier is geschikt voor bacheloreindwerkstukken, masterscripties en stageverslagen. Waardeer op een schaal van 1 (zeer goed) tot 5 (minimaal voldoende) 

Naam, datum, titel scriptie 

1. Vraagstelling       

helder geformuleerd             1 2 3 4 5 

zinnig afgebakend                1 2 3 4 5 

voldoende complex              1 2 3 4 5 

wetenschappelijk /

maatschappelijk relevant     1 2 3 4 5 

voldoende uitgewerkt           1 2 3 4 5 

2. Betoog 

helder                                   1 2 3 4 5 

goed gestructureerd             1 2 3 4 5 

overtuigend                          1 2 3 4 5 

3. Literatuur 

voldoende van omvang        1 2 3 4 5 

uitgangspunt in recente

literatuur/naslagwerken        1 2 3 4 5 

inzicht in status questionis   1 2 3 4 5 

    

4. Bronnen 

relevant origineel

bronmateriaal gevonden       1 2 3 4 5

in voldoende mate gebruikt   1 2 3 4 5 

    

5. Conclusie 

helder geformuleerd             1 2 3 4 5 

logisch voortvloeiend

uit betoog                             1 2 3 4 5 

overtuigend                          1 2 3 4 5 

6. Stijl en afwerking 

spelling                                1 2 3 4 5 

persoonlijke stijl                   1 2 3 4 5 

annotatie                             1 2 3 4 5 

algemene verzorging          1 2 3 4 5 

    

7. Werkhouding 

zelfstandigheid                    1 2 3 4 5 

originaliteit                           1 2 3 4 5 

leerbaarheid                        1 2 3 4 5 

kritische habitus                  1 2 3 4 5 

Eindcijfer 

Opmerkingen: